• (1) Garbhādhān

    Impregnatie - de bewuste bevruchting (letterlijk: het "planten" in de baarmoeder).

    Handelingen en levensstijl voor de bevruchting hebben een wezenlijke invloed op de geestelijke en cognitieve ontwikkeling van het kind, nog voor de fysieke geboorte. De diverse grihya-sūtra’s geven advies over de beste tijd, omstandigheden en levenshouding. De vrouw vermijdt in elk geval vanaf nu (tot de bevalling) de consumptie van intoxicanten als alcohol, drugs en hete pepers. Voordat de man en vrouw gemeenschap hebben, verrichten zij een yagya (vuuroffer) en een korte meditatie. De man en vrouw beseffen de gevolgen en verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de bevruchting.

    De pandit is hier (vanzelfsprekend) niet bij aanwezig, maar kan – op verzoek - vooraf instructies verstrekken.

  • (2) Punsavan

    Deze sanskār wordt twee tot drie maanden na de bevruchting verricht. Zowel de man als de vrouw nemen regels in acht waardoor de foetus zich goed kan nestelen en ontwikkelen in de baarmoeder.

    De man laat de vrouw een vers blad van de Banyanboom (Ficus Benghalensis) ruiken en geeft haar zoete vruchten te eten. De pandit verricht vervolgens een Vedische yagya, waarin offers worden verricht aan de diverse kosmische krachten. Zij hebben tot doel de “state of mind” van de ouders voor te bereiden op de te komen veranderingen en de ontwikkeling en gezondheid van de foetus te stimuleren. Een van de rituelen is dat de man zijn hand op de buik van de vrouw legt. De pandit leest hierbij een mantra op. Uiteraard legt pandit de strekking van de mantra’s uit die hij gebruikt. Na het ritueel drinkt de vrouw melk met gemalen gember. De vrouw vermijdt slechte emoties als gierigheid en angst en houdt haar “mindset” positief. De vrouw vermijdt zeker vanaf nu ook te zoutig, te zuur, te bitter en te pittig voedsel.

  • (3) Simantonnayan

    Deze sanskār wordt verricht in de vierde maand na de bevruchting. In overleg met de pandit wordt een dag bepaald waarbij een masculiene nakshatra (sterrengroep) verbonden is met de maan (Punarvasu, Pushya, Anurvdhas, Mula, Shravana, Ashvini en Mrigshiras). De levensstijl beïnvloedt het kind al in de prenatale fase. De moeder moet zich onthouden van bepaalde handelingen en de vader moet haar hierin steunen.

    De pandit verricht wederom een Vedische yagya. De ouders nemen rijst (Oryza Sativa), zwart sesamzaadjes (Sesamum Indicum) en mungbonen (urad) (Phaseolus Mungo) in gelijke hoeveelheid (ongeveer 6 gram van elk) en wassen het. Vervolgens dient het geheel gekookt te worden waarbij ghee wordt toegevoegd. Met de klaargemaakte hutspot worden ook ahuti’s (offers) gegeven tijdens de havan (vuuroffer). Daarna gaan de vrouw en man naar een rustige plaats, waarna de man geurende olie in het haar van de vrouw inbrengt en het haar opnieuw kamt en daarbij 2 staarten maakt. Het is aan te raden dat er positieve en rustige muziekinstrumenten (zoals de Indiase Veena) op de achtergrond klinken. Tot slot wordt de vrouw gezegend door de aanwezige ouderen in de familie en eet de zwangere vrouw de hutspot.

  • (4) Jātakarma

    De fysieke geboorte van het kind.

    Vlak voor de bevalling sprenkelen betrokkenen water op de zwangere vrouw. De pandit verstrekt hiervoor de mantra en de betekenis, aangezien hij hier niet bij hoeft te zijn. De geboorte heeft vervolgens plaatsgevonden. De placenta wordt verwijderd. Het kind en de ziel worden in deze wereld verwelkomd door de ouders. De navelstreng wordt doorgeknipt door de vader. De vader geeft het kind als verwelkoming met zijn vinger een mengsel van ghee (geklaarde boter) en honing. De vader maakt het kind vervolgens schoon en verricht - indien mogelijk - dezelfde dag nog een yagya, die begeleid wordt door de pandit. Een van de onderdelen van het ritueel is, dat de vader mantra’s in het oor van het kind inspreekt.

    De zesde levensdag wordt er een Chatti Puja verricht, ter ere van Shashti Devi.

    Mool
    Het kan zijn dat de geboorte in een ongunstige astrologische nakshatra (sterrenconstellatie) is gevallen, die situatie noemt men "mool". Hiervan is sprake als de maan zich bevindt in de nakshatra's "Ashvini", "Ashlesha", "Magha", "Jeshta", "Mool" of "Revati".

    Op de 27ste dag na de geboorte wordt in dat geval een Mool-shanti puja verricht. De maan is na 27 dagen immers weer terug in de geboorte-nakshatra. Het ritueel wordt verricht om mogelijke negatieve implicaties zoveel mogelijk teniet te doen. Het getal 27 komt in de rituelen regelmatig terug.

  • (5) Nāmkaran

    Het kind krijgt een naam. Traditioneel wordt dit 10 dagen na de geboorte gedaan. In Nederland moet conform de wet binnen drie dagen na geboorte een naam worden opgegeven. Deze sanskār vindt dus of binnen 3 dagen plaats of symbolisch na 10 dagen. Aan het kind wordt een betekenisvolle naam gegeven. De pandit bekijkt de Vedische astrologie voor het geboren kind. Hierin vindt hij terug, met welke letters de gunstige naam moet beginnen. Het is de traditie dat het kind een gunstige en positieve naam krijgt, zodat hij/zij gedurende de opvoeding en de loop der jaren constant herinnerd wordt aan de positieve betekenis van de naam. De pandit verricht een uitgebreide Vedische yagya.

  • (6) Niskraman

    Deze sanskār wordt de derde dag van de derde volle maan (bron: Gobhil Grihyasūtra) of de geboorte-tithi in de vierde maand na de geboorte. Het kind wordt meegenomen voor het eerst in de buitenlucht. Hiervoor verricht de pandit ook een Vedische yagya. Allerlei mooie mantra's worden hierbij gebruikt. Moge het kind gezond en welgesteld blijven en een lang leven hebben. Moge het kind niet eerder sterven dan de ouders.

  • (7) Annaprāshan

    Deze sanskār wordt zes maanden na de geboorte verricht. Het kind zal voor het eerst vast voedsel eten. Graanproducten zorgen voor rajo-guna en daardoor de ontwikkeling van een ego. Dit moet begeleid worden. De ouders maken rijst met ghee of rijst met honing en yoghurt klaar voor de sanskār. Hiermee worden ahuti´s (offers) gegeven in het vuur en aan het kind.

  • (8) Mundan/Chudākarma

    Deze sanskār wordt 1 of 3 jaar na de geboorte verricht. Voor het eerst wordt het hoofdhaar van het kind afgeschoren. De pandit verricht een Vedische yagya en legt de mantra’s van de sanskār uit. Sushruta (chirurg, 6e eeuw v Chr) en Charaka (mede-oprichter Ayurveda, 300 v Chr) bevestigen dat het verwijderen van het haar, kracht, levensduur, zuiverheid en schoonheid aan het individu brengt.

  • (9) Karnavedha

    Deze sanskār wordt 3 of 5 jaar na de geboorte verricht. Centraal staat het doorprikken van de oorlellen van het kind. Letterlijk eigenlijk zorgen dat het kind kan horen. Vroeger werden de Veda's en wijsheden mondeling overgedragen. De pandit verricht een Vedische yagya en reciteert mantra’s op het moment dat het linker- en rechteroor worden geprikt. Men kan besluiten de mundan samen met de karnavedha te laten verrichten op dezelfde dag.

  • (10) Upanayan

    Deze sanskār is het ontvangen van het witte heilige draad of initiatiekoord, (Sanskriet: yagyopavit) of (Hindi: janev) genoemd. Dit koord staat voor het dragen van reinheid en bescherming, en wordt gedragen van de linkerschouder over de buik, iets na de rechterborst. Centraal staat het verkrijgen van kennis. Vroeger ging een individu naar de guru (leermeester) toe en verbleef daar een aantal jaren om zelfkennis op te doen.

    Volgens de hindoedoctrine is een ieder uit geboorte (ekajāti) shūdra. Ekajāti betekent eenmaal geborene; hiermee wordt de materiële geboorte uit de baarmoeder bedoeld.

    Na deze sanskaar wordt het individu een dvi-jāti (tweemaal geborene). Met de tweede geboorte wordt de spirituele geboorte bedoeld, doordat de guru het individu kennis zal verschaffen. Het kind krijgt daarom het initiatiekoord en tevens een nieuwe (spirituele) naam.

    In de Nederlandse hedendaagse praktijk is de guru een pandit, ācārya of beter, de vader van het kind.

    Op grond van de impressies van de ouders en mede op grond van de Vedische astrologie wordt bepaald hoe het kind zal worden opgevoed en in welke varna (kaste) het kind zal worden beschouwd. Een dvi-jāti (dvi-ja) is geen shūdra meer, maar een brāhmana, kshatriya of vaishya. De verschillende dvi-ja’s dienen deze sanskaar te ontvangen binnen een tijdspanne:
    Brāhmana vanaf het 8ste jaar na de geboorte en uiterlijk in het 16e levensjaar;
    Khatriya vanaf het 11e jaar na de geboorte en uiterlijk in het 22ste levensjaar;
    Vaisyha vanaf het 12e jaar na de geboorte en uiterlijk in het 24ste levensjaar.
    (Bron: Ashvalāyana Grihyasūtra/Parāskara Grihyasūtra)

    Ook worden er verschillende seizoenen aangegeven voor het plaatsvinden van de sanskār:
    Brāhmana in de lente;
    Khatriya in de zomer;
    Vaishya in de herfst.
    (Bron: Shatpath Brāhmana)

    Een dag voor de sanskār proberen de individuen te vasten. Het enige voedsel wat toegestaan is om te nuttigen is:
    Brāhmana: Dugdha (melk);
    Kshatriya: Jau (gerst) (met water/melk/suiker);
    Vaishya: Amikshā (yoghurt, suiker en saffraan (keshar).

    De pandit verricht een Vedische yagya. Het kind wordt kaalgeschoren (onder Katholieken bekend als “tonsuur”) en ontvangt het initiatiekoord. Een stukje haar vanaf de kruin (brahmacakra) wordt vaak laten staan (churki). Het kind belooft als brahmacarya (celibaat) te leven tot het huwelijk. Het kind krijgt van zijn guru een mantra in het oor geluisterd, vaak de Vedische Gāyatri mantra. Hiermee start het kind zijn spirituele ontwikkeling.

  • (11) Vedārambha

    Deze sanskār vindt dezelfde dag van de Upanayana plaats en indien niet mogelijk, de dag erna. Indien ook dat niet mogelijk is, wordt deze sanskaar in elk geval binnen een jaar na de vorige sanskaar verricht. Het kind is gestart met de Vedische Gāyatri mantra, welke elke ochtend, bij voorkeur voor zonsopgang, wordt gereciteerd en zal zich vanaf nu richten op het bestuderen van de Veda’s, de Vedānga’s en de Upaveda’s.

    De Veda’s: Rigveda;
    Yajurveda;
    Sāmaveda;
    Atharvaveda

    De Vedānga’s:
    1) Shikshā (fonologie);
    2) Vyākarana (grammatica);
    3) Chanda’s (metrums);
    4) Nirukta (etymologie);
    5) Jyotisha (astrologie & astronomie);
    6) Kalpa (ritueel)

    De Upaveda’s:
    1) Āyurveda (Wetenschap van Geneeskunde)
    2) Dhanurveda (Wetenschap van Boogschieten)
    3) Gandharvaveda (Wetenschap van Muziek & Kunsten)
    4) Arthaveda/Arthashāstra (Wetenschap van Staatkunde & Economie)
    5) Sthāpatyaveda (Wetenschap van Architectuur)

  • (12) Samāvartan

    Traditioneel heeft het kind zijn/haar onderwijs afgerond en kan hij/zij de gurukul (leerinstelling) verlaten en terugkeren naar de familie. Centraal staat dat het kind goed is opgeleid en gecultiveerd. De opgedane kennis en wijsheid kunnen nu worden gepraktiseerd in het huwelijk en het maatschappelijke leven.

  • (13) Vivāh

    Het huwelijk tussen een man en een vrouw. Dit is het moment om met alle opgedane kennis een materieel leven te starten en samen cognitief en spiritueel verder te groeien.

    In de opinie van de Manu-smriti (3.21) en de Mahābhārata (1.73.3831) zijn er 8 manieren om te trouwen:

    1. Brahma Vivāh:
    Kanyadaan uitgevoerd door geleerde en spirituele ouders. Men zoekt een bruid en bruidegom die geleerd is in de Veda’s en een nobel en eenvoudig karakter hebben.

    2. Daiva Vivāh:
    Kanyadaan door Goddelijke ouders;

    3. Ārsha Vivāh:
    Kanyadaan aan een Rishi’s of geleerde;

    4. Prajāpatya Vivāh:
    Kanyadaan door het “gewone” volk. De ouders van het meisje gaan op zoek naar een jongen;

    5. Asura Vivāh:
    Huwelijk waarbij de bruidegom helemaal niet geschikt is voor de bruid.

    6. Gandharva Vivāh:
    Huwelijk uit wederzijdse liefde, maar zonder goedkeuring van familie;

    7. Rākshas Vivāh:
    Huwelijk waarbij de bruid wordt gedwongen te trouwen;

    8. Paisāca Vivāh:
    Huwelijk waarbij geen rekening wordt gehouden met de wensen de bruid. Er kan sprake zijn van bedwelming, leugens of een onbewuste toestand. Deze vorm wordt als de laagste beschouwd.

    Slechts de eerste vier worden als dharmisch en wenselijk beschouwd. Uithuwelijking (punt 7) wordt dus niet als wenselijk beschouwd. In Nederland voltrekt de pandit over het algemeen altijd het huwelijk op grond van de Brahma-vivāh.

  • (14) Vānaprastha

    Letterlijk het verblijven in de bossen. Het leven start met de zogenaamde brahmacarya-fase (ontwikkeling en modellering van een jong mens, celibaat zijn). Daarna volgt de grihast-fase (met de opgedane kennis de maatschappij in gaan, trouwen, het hebben van een huishouding, grootbrengen van kinderen). De grihast-fase wordt – indien partners dat willen en er klaar voor zijn – afgesloten met de sanyās-fase (werken aan wereldse en maatschappelijke onthechting, spirituele en filosofische ontwikkeling). Vroeger verbleef men letterlijk in de bossen, om niet meer maatschappelijk te participeren. Zij werden toen afhankelijk van giften, aalmoessen en geschenken van anderen.

  • (15) Sanyās-ashram

    Een sanyās (monnik) leeft celibaat, staat niet meer in de maatschappij, kleed zich eenvoudig en simpel (vaak in oranje, kleur van vuur), is qua eten afhankelijk van anderen, werkt aan onthechting van de reeds opgedane wereldse rijkdommen, houdt het lichaam onder controle door meditatie en de uitoefening van yoga, predikt en adviseert anderen die nog wél in de maatschappij staan met religieuze, filosofische en praktische inzichten. Nadat hij zich heeft kunnen onthechten van materiële en maatschappelijke zaken, zal hij mentaal werken aan onthechting van het lichaam.

  • (16) Antyeshti

    De laatste rituelen van het lichaam, het afscheid nemen van en teruggeven van het stoffelijk lichaam aan de natuur. Deze sanskaar wordt ook wel naramedha, narayagya, purushamedha of purushayagya genoemd.

    De mannelijke nabestaanden scheren als teken van rouw hun haartooi af, onthouden zich van lustelijke daden en leven sober en vroom. De weken die volgen staan in het kader van zelfrealisatie, zelfreflectie en het stilstaan bij de grootste waarheid van het menselijk leven: doodgaan.

    De rituelen hierbij noemt men “shrādh-kriya”. Het woord shrād is afgeleid van shraddhā, hetgeen liefde betekend. De rituelen worden immers verricht uit liefde voor de heengegane persoon en als rouwverwerking voor de nabestaanden.

    Sanātan dharma
    Onder de aanhangers van de sanātan dharma worden er op diverse dagen allerlei rituelen verricht:

    Overlijdensdag: het aanmaken van een yamdīp in het zuiden van het huis;
    Dāha-sanskaar (crematie);
    Asthi-sancai (asverstrooiing);
    Dashagātra (10de dag na crematiedienst);
    Bārhi (12de dag na crematiedienst);
    Terhi (13de dag na crematiedienst)
    Chahmāsi (halfjaar na crematiedienst);
    Vārshik (jaar na crematiedienst)

    Terugkomende rituelen in de bovengenoemde laatste 5 rituelen zijn de:
    - Pinda-dān
    (schenking aan de overledene van 5 “deegballen” gemaakt van rijstmeel, melk, ghee, honing, zwarte sesamzaadjes en suiker);
    - Tarpan
    (offerritueel met een kom gevuld met melk, ghee, honing, zwarte sesamzaadjes en suiker).

    Pancak
    Het kan zijn dan de overledene in een ongunstige astrologische nakshatra (sterrenconstellatie) is overleden. Die situatie noemt men “pancak” (letterlijk: groep van vijf). Pancak is een periode van 5 (en soms 7 dagen) in een Vedische maand. Als de maan zich bevindt in de nakshatra’s “Dhanishtha”, Shatbhisha, Purvabhadrapada, “Utrabhadrapada” en “Revati”, is er sprake van pancak. Ingeval van pancak raadt de Vedische astrologie af te reizen in Zuidelijke richting, huizen te bouwen of een lichaam te cremeren. Deze zaken zouden pyrofobie (angst voor vuur) bewerkstelligen in een persoon.

    Als een persoon is overleden in pancak-periode, is de heersende opvatting dat de overledene in staat is om binnen enkele jaren vijf andere personen uit zijn familie mee te nemen. Om dat effect te neutraliseren, verricht de pandit naast de standaardrituelen ook een pancakshanti-puja. Rishi Garga had de opvatting dat elke daad in de periode van panchak 5 maal extra herhaald moest worden.
    Ondermeer worden er vijf poppetjes van kushagras en deeg gemaakt en in witte kleding aangekleed. Middels mantra’s roept de pandit levensenergie op in de poppetjes. Deze vijf poppetjes worden – bij de overledene - in de kist geplaatst.

    Sutak
    Volgens het hoofdstuk preta-kānd uit de Garuda Purana zijn familie (zowel van vader als moederzijde) van de overledene gedurende 10 dagen in sutak, ofwel “ritueel onrein”. Er mag gedurende die periode geen eten gegeten worden van die familie, omdat dit als onrein wordt beschouwd.

    Deze gedachte had te maken met het feit dat een overledene vroeger gewoon thuis lag en werd bezocht door zijn directe familie. Een lijk werd vanwege het proces van ontbinding als onrein gezien en zodoende waren de directe familieleden die het lijk bezochten ook onrein. Het fenomeen sutak is daarom achterhaald omdat het niet meer binnen de huidige tijdsgeest past. Toch zijn er nog steeds mensen die uit angst voor het genoemde in de Garuda Purana een onreinheidsperiode van 10 dagen in acht nemen. Opgemerkt moet worden dat de Garuda Purana een zeer controversieel geschrift is, waarvan uit diverse historische bronnen blijkt dat het geschrift veelvuldig is aangepast en bewerkt door de vele diverse kolonisators van India alsmede de elitaire machtswellustige priesterorde destijds.

    Ārya samāj
    Onder de aanhangers van de ārya samāj zijn de rituelen simpeler en meer gebaseerd op de Veda´s (in plaats van Puranas). Zij verrichten slechts 1 yagya (vuurofferritueel) ter ere van de overledene.